• We schrijven Brussel. 6 januari 1504. De Rotterdamse humanist Desiderius Erasmus staat op het spreekgestoelte en heeft zojuist de lof van de Bourgondische prins Filips de Schone (1478–1506) gezongen. In het Latijn, natuurlijk: dat was toen de cultuurtaal bij uitstek. Maar Erasmus heeft nog een toemaatje voor Filips in petto: hij rondt zijn lofzang af met een gedichtje uit eigen koker, in het Oudgrieks zowaar! In homerische stijl heet Erasmus de prins na een lange reis weer welkom in zijn thuishaven. Hij bezingt Filips als trots van het vaderland die in goddelijke gunst staat, niet van de christelijke God maar van de goden, meervoud: de heidense afgoden staan de prins bij…